Leven als vrienden en rekenen als vijanden

Ze kauwen op de randen van de bijenkorf. Ik hoor ze. Het klinkt als de eerste regendruppels die op een plant vallen, maar het zijn toch echt kaken. Eerst was er het bevruchte vrouwtje, de koningin, die in het voorjaar de bijenkorf binnenvloog en het nest begon. Van fijngekauwd boomschors bouwde ze cellen en legde een ei in iedere cel. Dat gebeurde allemaal voor mijn komst. Die eieren zijn allang uitgekomen en de larven hebben zich sindsdien tot volwassen Vespa’s ontwikkeld.

Vespa? Ja, dat is hun Latijnse naam. Geen Italliaans brommertje maar hoornaars. Giant wasps! Met gemak worden ze 4 cm lang, maar andere bronnen melden 5,5 cm. Als ze langs je oren vliegen klinken ze overigens wel als een brommer. De Vespa’s wonen in de bijenkorf op de richel boven de voordeur van mijn vakantiehuisje in het Zwarte Woud. Een Hans-en-Grietje-huisje in een fruitboomgaard, omgeven door een net gemaaid gazon. Paradijselijk is het, met iedere avond een urendurend krekelconcert, ontelbare vlinders, rennende hazen en zelfs een ree en de geur van versgemaaid gras.

Het is lang licht, tenminste tot 22:00 uur. Als de duisternis invalt ga ik naar binnen, want ik ken mijn vijand, de Vespa. Geen waxinelichtjes, geen kampvuur, nee dank u. Nu ben ik toch al niet zo’n held in het pikdonker aan de rand van een donker bos, maar goed. De hoornaars jagen namelijk dag èn nacht op insecten. Op de veel kleinere gewone wesp, spinnen en bijen, maar ook op nachtuiltjes en alles wat op lantaarns, lampen en kampvuur afkomt. Wat dat betreft zou ik ze ook als vriend kunnen beschouwen, las ik ergens.

De man van gastvrouw Annerosa deed alsof hij de familie Hoornaar pas ontdekte op het moment dat hij de deur van het huisje voor mij opende, maar het verhaal dat hij paraat had deed anders vermoeden. De haren rezen mij te berge, vooral toen hij het oh zo bekende ‘ze doen niets hoor‘ uitsprak. Hij zou ook de verdelgingsdienst kunnen laten komen, maar dat klonk meer pro forma. ‘Ja, doe maar’, dacht ik, toch besloot ik het even aan te zien. Ik zette een stoel op het gazon en onderzocht de familie door middel van observatie. Aanvalsstrategie: de hoornaar uit de korf kijken, maar hij bleef mooi zitten terugkijken. Ja, zo groot zijn ze: dat hun gele hoofd met zwarte priemende ogen gewoon op afstand te onderscheiden is.

De poortwachter houdt de hele dag met z’n kop uit de korf de wacht. Hij bepaalt of andere hoornaars naar binnen mogen vliegen. Wat ze daar doen? Echte mannen eten geen honing, maar kauwen de bijen. Nou zoiets doen de hoornaars ook. Hun geuzennaam? Moordenaarswesp. Ze jagen hun prooi, bijten ze de kop en poten af, kauwen vervolgens de borststukjes fijn en nemen dat mee naar het nest. De hele kolonie kan in de loop van de zomer uitgroeien tot zo’n 4000 exemplaren. Maar dan ben ik allang weg uit dit paradijs.

Ik deed onderzoek op internet. Best lastig want in dit paradijs is geen wifi en mijn ontvangst is uiterst belabberd. Er is wel een WLAN-kabel voor mijn laptop, met tergend langzaam internet. Zag een filmpje hoe een hoornaar een vliegend hert aanviel. Maar las ook tips wat te doen als je gestoken wordt: meestal krijg je een locale reactie, een flinke zwelling van zo’n 10 centimeter groot. Is de zwelling groter dan 10 centimeter, ga dan onmiddellijk naar je huisarts. En bij meer dan 20 steken ook linea recta naar de dokter. Blijkbaar worden ze agressief als je hun aanvliegroute naar het nest blokkeert. Dus bestudeerde ik hun aanvliegroute. Ze komen steeds van linksboven aangevlogen, maar de poortwachter laat niet iedereen tegelijkertijd toe, soms moeten ze een extra rondje vliegen en komen dan van rechts, maar godzijdank altijd van boven. Dus zit ik hier, 1,5 meter onder de bijenkorf relatief veilig, ook al hoor ik ze kauwen en scheren ze boven me langs.

Inmiddels krijg ik geen kippenvel meer van hun naderend gebrom, maar ik blijf steeds in opperste paraatheid klaar voor de vlucht. Wel was ik zo moedig hen die mijn voordeur voor de toegang tot de bijenkorf hielden het huisje uit te jagen, maar houd sindsdien de deur angstvallig gesloten. De ramen hebben horren. En dan is er nog dat gele wespentennisracket dat ik last minute voor mijn vertrek scoorde: over goede vrienden gesproken.

En terwijl je nu al minuten lang een spannend steekincident verwacht, dat ik nu in het ziekenhuis lig ofzo. Nee niets van dien!  De moraal van dit verhaal: ter wereld is er geen dodelijker venijn, dan vriend te schijnen en vijand te zijn, maar dan andersom.